طه

(de Arabische letters) Ta Ha

Ṭā Hā

Hoofdstuk: 20
Verzen: 135

Vertaler: Sofian S. Siregar

Taal: Nederlands

Bron: tanzil.net/trans

Hoofdstuk 20
Verzen 101-120 van 135

Houd voortgang bij!

Inloggen

Zij zullen daarin eeuwig levenden zijn. Slecht zal de last voor hen zijn op de Dag der Opstanding! [101]

Op de Dag, waarop op de bazuin wordt geblazen en Wij de zondaren verzamelen, met hun afschrikwekkende gezichten. [102]

Fluisterend onder elkaar zeggen ze: "Jullie hebben slechts tien dagen op aarde verbleven." [103]

Wij weten het beste wat zij zeggen wanneer degene die het meest voorbeeldig de Weg volgde onder hen zegt. "Jullie hebben er slechts één dag verbleven." [104]

En zij vragen jou over de bergen. Zeg dan: "Mijn Heer zal ze als pulver doen uiteenvallen. [105]

En Hij laat hen achter als een kale vlakte. [106]

Waarop je geen lage en hoge (plaatsen) ziet." [107]

Op die dag zullen zij de Oproeper volgen; er is geen (mogelijkeid) om aan hem te ontsnappen. En stemmen zullen zacht klinken tegenover de Barmhartige, zodat je niets dan gefluister hoort. [108]

Op de Dag is bemiddeling niet van nut, behalve voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen. [109]

Hij weet wat vôôr hen is en wat achter hen is, en zij kunnen Hem met kennis niet omvatten. [110]

En alle gezichten zullen eerbiedig neerbuigen voor de Levende, de Zelfstandige. En waarlijk, hij die onrecht pleegde zal teleurgesteld worden. [111]

En hij die goede daden verrichtte en een gelovige was, hoeft niet bang te zijn voor onrecht of verlies. [112]

En zo hebben Wij hem neergezonden als een Arabische Koran en Wij hebben daarin waarschuwingen uiteengezet. Hopelijk zullen zij (Allah) vrezen of zal hij (de Koran) hen lering brengen. [113]

En Verheven is Allah, de Ware Koning. En haast je niet met de Koran (O Moehammad), voordat zijn openbaring an jou voltooid is. En zeg: "'Mijn Heer, vermeerder voor mijn kennis." [114]

En Wij hadden vroeger met Adam een verbond gesloten, maar hij vergat het. Wij vonden bij hem geen vastberadenheid. [115]

En toen Wij tegen de Engelen Zeiden: "Werpt jullie neer voor Adam," wierpen zij zich neer, behalvc lblîs, hij weigerde. [116]

Daarop zeiden Wij: "O Adam, voorwaar, dit is zeker een vijand van jou en jouw vrouw. Laat hem daarom jullie niet uit het Paradijs verdrijven, want dan zal jij zeker ongelukkig worden. [117]

Voorwaar, daarin is voor jou geen honger en jij bent er niet naakt. [118]

Jij hebt ef zeker geen dorst en jij wordt er niet blootgesteld aan hitte." [119]

Maar de Satan fluisterde hem in, en zei: "O Adam, zal ik jou de eeuwige boom wijzen en een koninkrij'k dat niet vergaat?" [120]

Houd voortgang bij! Inloggen
Verzen 101-120 van 135