الشعراء

De Dichters

Ash-Shuʿarāʾ

Hoofdstuk: 26
Verzen: 227

Vertaler: Sofian S. Siregar

Taal: Nederlands

Bron: tanzil.net/trans

Hoofdstuk 26
Verzen 41-60 van 227

Houd voortgang bij!

Inloggen

Toen de tovenaars kwamen, zeiden zij tot Fir'aun: "Krijgen we zeker een beloning, als wij de overwinnaars zijn?" [41]

Hij zei: "Ja, jullie zullen dan tot de (mij) nabijen behoren." [42]

Môesa zei tot hen: "Werpt maar wat jullie te werpen hebben." [43]

Toen wierpen zij hun touwen en staven neer, terwijl zij zeiden: "Bij de eer van Fir'aun: voorwaar, wij zullen zeker de overwinnaars zijn." [44]

Toen wierp Môesa zijn staf neer, en toen verslond zij wat zij met hun bedrog hadden gemaakt. [45]

Toen wierpen de tovenaan zich neer, knielend. [46]

Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden. [47]

De Heer van Môesa en Hârôen." [48]

Hij (Fir'aun) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming geef? Voorwaar, hij is zeker jullie meerdere die jullie de tovenarij onderwees. En spoedig zullen jullie het weten: ik zal jullie handen en jullie voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken en ik zal jullie allen kruisigen." [49]

Zij (de tovenaars) zeiden: "Het deert (ons) niet. Voorwaar, wij zullen naar onze Heer terugkeren. [50]

Voorwaar, wij verlangen dat Hij onze fouten vergeeft, omdat wij de eersten van de gelovigen zijn." [51]

En wij openbaarden aan Môesa: "Reis in de nacht met Mijn dienaren: voorwaar, jullie zullen achtervolgd worden." [52]

Toen stuurde Fir'aun bijeenroepers de steden in. [53]

"Diegenen zijn zeker een kleine groep. [54]

En voorwaar, zij hebben ons woedend gemaakt. [55]

En voorwaar, wij zijn zeker allen voorzichtig." [56]

Toen verdreven Wij hen van de tuinen en bronnen. [57]

En de schatten en eervolle plaatsen. [58]

Zo was het; en Wij deden de Kinderen van Israël het erven. [59]

Toen achtervolgden zij hen bij zonsopgang. [60]

Houd voortgang bij! Inloggen
Verzen 41-60 van 227