الشعراء
De Dichters
Ash-Shuʿarāʾ
Vertaler: Sofian S. Siregar
Taal: Nederlands
Bron: tanzil.net/trans
Houd voortgang bij!
InloggenDegene Die mij doet sterven en mi vervolgens doet leven. [81]
En Degene van Wie ik hevig verlang dat Hij mijn zonden zal vergeven op de Dag des Oordeels. [82]
Mijn Heer, schenk mij wijsheid en verenig mij met de rechtschapenen. [83]
En maak mijn naam vermaard onder de lateren. [84]
En maak mij één van de erfgenamen van de Tuin van de gelukzaligheid (het Paradijs). [85]
En vergeef mijn vader, waal bij behoorde tot de dwalenden. [86]
En verneder mij niet op de Dag waarop er wordt opgewekt. [87]
Op de Dag, waarop rijkdom en zonen niet zullen baten. [88]
Alleen bij (zal gebaat zijn), die naar Allah komt met een zuiver hart [89]
En de Tuin wordt dichtbij de Moettaqôen gebracht. [90]
En Djahîm (de Hel) wordt tentoongesteld aan de dwalenden. [91]
En tot hen wordt gezegd: "Waar is het, wat jullie plachten te aanbidden? [92]
Naast Allah? Kunnen zij jullie helpen of zichzelf helpen? [93]
Dan worden zij hals over kop daarin geslingerd, zij en de dwalenden. [94]
En de troepen van Iblîs (de Satan), allemaal. [95]
Zij zeggen, terwijl zij met elkaar redetwisten: [96]
"Bij Allah, wij verkeerden zeker in een duidelijke dwaling. [97]
Dat wij jullie (de afgoden) gelijkstelden met de Heer der Werelden. [98]
En alleen de misdadigers hebben ons doen afdwalen. [99]
En wij hebben geen voorsprekers, [100]