الشعراء

De Dichters

Ash-Shuʿarāʾ

Hoofdstuk: 26
Verzen: 227

Vertaler: Sofian S. Siregar

Taal: Nederlands

Bron: tanzil.net/trans

Hoofdstuk 26
Verzen 81-100 van 227

Houd voortgang bij!

Inloggen

Degene Die mij doet sterven en mi vervolgens doet leven. [81]

En Degene van Wie ik hevig verlang dat Hij mijn zonden zal vergeven op de Dag des Oordeels. [82]

Mijn Heer, schenk mij wijsheid en verenig mij met de rechtschapenen. [83]

En maak mijn naam vermaard onder de lateren. [84]

En maak mij één van de erfgenamen van de Tuin van de gelukzaligheid (het Paradijs). [85]

En vergeef mijn vader, waal bij behoorde tot de dwalenden. [86]

En verneder mij niet op de Dag waarop er wordt opgewekt. [87]

Op de Dag, waarop rijkdom en zonen niet zullen baten. [88]

Alleen bij (zal gebaat zijn), die naar Allah komt met een zuiver hart [89]

En de Tuin wordt dichtbij de Moettaqôen gebracht. [90]

En Djahîm (de Hel) wordt tentoongesteld aan de dwalenden. [91]

En tot hen wordt gezegd: "Waar is het, wat jullie plachten te aanbidden? [92]

Naast Allah? Kunnen zij jullie helpen of zichzelf helpen? [93]

Dan worden zij hals over kop daarin geslingerd, zij en de dwalenden. [94]

En de troepen van Iblîs (de Satan), allemaal. [95]

Zij zeggen, terwijl zij met elkaar redetwisten: [96]

"Bij Allah, wij verkeerden zeker in een duidelijke dwaling. [97]

Dat wij jullie (de afgoden) gelijkstelden met de Heer der Werelden. [98]

En alleen de misdadigers hebben ons doen afdwalen. [99]

En wij hebben geen voorsprekers, [100]

Houd voortgang bij! Inloggen
Verzen 81-100 van 227