الشعراء

De Dichters

Ash-Shuʿarāʾ

Hoofdstuk: 26
Verzen: 227

Vertaler: Sofian S. Siregar

Taal: Nederlands

Bron: tanzil.net/trans

Hoofdstuk 26
Verzen 101-120 van 227

Houd voortgang bij!

Inloggen

En geen boezemvriend. [101]

Was er voor ons maar een weg terug, dan zouden wij tot de gelovigen behoren." [102]

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn ongelovigen. [103]

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. [104]

Het volk van Nôeh loochende de Boodschappers. [105]

(Gedenk) toen hun broeder Nôeh tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? [106]

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [107]

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [108]

Ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. [109]

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [110]

Zij zeiden: "Zouden wij jou volgen, terwijl de meest nederigen jou volgen?" [111]

Hij (Nôeh) zei: "En ik heb geen kennis over wat zij deden. [112]

Hun afrekening is slechts bij mijn Heer, als jullie het maar zouden beseffen. [113]

Ik zal de gelovigen zeker niet wegjagen. [114]

Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer." [115]

Zij zeiden: "Als jij er niet mee ophoudt, O Nôeh, dan behoor jij tot degenen die gestenigd worden!" [116]

Hij (Nôeh) zei: "Mijn Heer, voorwaar mijn volk loochent mij. [117]

Spreek daarom een oordeel uit tussen mij en hen. En red mij en de gelovigen die met mij zijn." [118]

Toen redden Wij hem en degenen die met hem in het beladen schip waren. [119]

En vervolgens verdronken Wij degenen die achterbleven (in de zondvloed). [120]

Houd voortgang bij! Inloggen
Verzen 101-120 van 227