الشعراء

De Dichters

Ash-Shuʿarāʾ

Hoofdstuk: 26
Verzen: 227

Vertaler: Sofian S. Siregar

Taal: Nederlands

Bron: tanzil.net/trans

Hoofdstuk 26
Verzen 121-140 van 227

Houd voortgang bij!

Inloggen

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. [121]

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. [122]

Het volk van de 'Âd loochende de Boodschappers. [123]

(Gedenk) toen hun broeder Hôed tot hen zei: "Vrezen jullie Allah niet? [124]

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [125]

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [126]

En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. [127]

Zouden jullie op elke heuvel een gebouw bouwen om jullie te vermaken? [128]

En bouwen jullie paleizen in de hoop dat jullie eeuwig leven? [129]

En als jullie toeslaan, slaan jullie toe als geweldenaars. [130]

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [131]

En vrom Hem Die jullie dat geschonken heeft waarover jullie weten. [132]

En Hij Die jullie vee en zonen schenkt. [133]

En tuinen en bronnen. [134]

Voorwaar, ik vrees voor jullie een bestraffing op de geweldige Dag." [135]

Zij zeiden: "Voor ons is het hetzelfde of jij ons waarschuwt of dat jij niet tot de waarschuwers behoort. [136]

Dit is slechts een gewoonte van de vroegeren. [137]

En wij zullen niet behoren tot hen die gestraft worden." [138]

Maar zij loochenden hem, dus vernietigden Wij hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen waren gew gelovigen. [139]

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. [140]

Houd voortgang bij! Inloggen
Verzen 121-140 van 227