الشعراء
De Dichters
Ash-Shuʿarāʾ
Vertaler: Sofian S. Siregar
Taal: Nederlands
Bron: tanzil.net/trans
Houd voortgang bij!
InloggenHet volk van de Tsamôed loochende de Boodschappers. [141]
(Gedenk) toen hun broeder Shâlih tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? [142]
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [143]
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [144]
En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. [145]
Zullen jullie in veiligheid gelaten worden temidden van wat hier is? [146]
Temidden van tuinen en bronnen. [147]
En akkerland en dadelpalmen met tere trossen. [148]
En jullie houwen vaardig huizen uit in de bergen. [149]
Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij. [150]
En geeft geen gehoor aan het bevel van de buitensporigen. [151]
Degenen die verderf zaaien op de aarde en zich niet beteren." [152]
Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort tot de betoverden. [153]
Jij bent slechts een mens zoals wij. Breng daarom een Teken als jij tot de waarachtigen behoort." [154]
Hij (Shâlih) zei: "Dit is een vrouwtjeskameel, zij heeft recht om te drinken en jullie hebben recht om te drinken, (ieder) op een vastgestelde dag. [155]
En treft haar niet met kwaad, want dan zal de straf van een Geweldige Dag jullie treffen. [156]
Toen slachtten zij haar, daarna werden zij berouwvollen. [157]
Toen trof de bestraffing hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. [158]
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. [159]
Het volk van Lôeth loochende de Boodschappers. [160]