الشعراء

De Dichters

Ash-Shuʿarāʾ

Hoofdstuk: 26
Verzen: 227

Vertaler: Sofian S. Siregar

Taal: Nederlands

Bron: tanzil.net/trans

Hoofdstuk 26
Verzen 141-160 van 227

Houd voortgang bij!

Inloggen

Het volk van de Tsamôed loochende de Boodschappers. [141]

(Gedenk) toen hun broeder Shâlih tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? [142]

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [143]

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [144]

En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. [145]

Zullen jullie in veiligheid gelaten worden temidden van wat hier is? [146]

Temidden van tuinen en bronnen. [147]

En akkerland en dadelpalmen met tere trossen. [148]

En jullie houwen vaardig huizen uit in de bergen. [149]

Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij. [150]

En geeft geen gehoor aan het bevel van de buitensporigen. [151]

Degenen die verderf zaaien op de aarde en zich niet beteren." [152]

Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort tot de betoverden. [153]

Jij bent slechts een mens zoals wij. Breng daarom een Teken als jij tot de waarachtigen behoort." [154]

Hij (Shâlih) zei: "Dit is een vrouwtjeskameel, zij heeft recht om te drinken en jullie hebben recht om te drinken, (ieder) op een vastgestelde dag. [155]

En treft haar niet met kwaad, want dan zal de straf van een Geweldige Dag jullie treffen. [156]

Toen slachtten zij haar, daarna werden zij berouwvollen. [157]

Toen trof de bestraffing hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. [158]

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. [159]

Het volk van Lôeth loochende de Boodschappers. [160]

Houd voortgang bij! Inloggen
Verzen 141-160 van 227