الشعراء

De Dichters

Ash-Shuʿarāʾ

Hoofdstuk: 26
Verzen: 227

Vertaler: Sofian S. Siregar

Taal: Nederlands

Bron: tanzil.net/trans

Hoofdstuk 26
Verzen 161-180 van 227

Houd voortgang bij!

Inloggen

(Gedenk) toen hun broeder Lôeth tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? [161]

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [162]

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [163]

En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. [164]

Waarom benaderen jullie van de wereldbcwoners de mannen? [165]

En verlaten jullie hen die jullie Heer als echtgenotes geschapen heeft? Jullie zijn beslist een overtredend volk!" [166]

Zij zeiden: "O Lôeth, als jij er niet mee ophoudt, behoor jij tot de verdrevenen." [167]

Hij in zei: "Voorwaar, ik behoor tot hen die jullie daden verachten. [168]

Mijn Heer, red mij en mijn familie van wat zij doen." [169]

En Wij hebben hem en zijn familie allen gered. [170]

Behalve een oude vrouw onder de achterblijvers. [171]

Toen vernietigden Wij de anderen. [172]

En Wij deden een (vulkanische) regen op hen neerstromen, hoe slecht was de regen voor de gewaarschuwden! [173]

Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. [174]

En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad), is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige. [175]

De bewoners van Aikah loochenden de Boodschappers. [176]

(Gedenk) toen Sjoe'aib tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? [177]

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [178]

Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [179]

En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust slechts bij de Heer der Werelden. [180]

Houd voortgang bij! Inloggen
Verzen 161-180 van 227