الشعراء
De Dichters
Ash-Shuʿarāʾ
Vertaler: Sofian S. Siregar
Taal: Nederlands
Bron: tanzil.net/trans
Houd voortgang bij!
Inloggen(Gedenk) toen hun broeder Lôeth tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? [161]
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [162]
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [163]
En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. [164]
Waarom benaderen jullie van de wereldbcwoners de mannen? [165]
En verlaten jullie hen die jullie Heer als echtgenotes geschapen heeft? Jullie zijn beslist een overtredend volk!" [166]
Zij zeiden: "O Lôeth, als jij er niet mee ophoudt, behoor jij tot de verdrevenen." [167]
Hij in zei: "Voorwaar, ik behoor tot hen die jullie daden verachten. [168]
Mijn Heer, red mij en mijn familie van wat zij doen." [169]
En Wij hebben hem en zijn familie allen gered. [170]
Behalve een oude vrouw onder de achterblijvers. [171]
Toen vernietigden Wij de anderen. [172]
En Wij deden een (vulkanische) regen op hen neerstromen, hoe slecht was de regen voor de gewaarschuwden! [173]
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. [174]
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad), is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige. [175]
De bewoners van Aikah loochenden de Boodschappers. [176]
(Gedenk) toen Sjoe'aib tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? [177]
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. [178]
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. [179]
En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust slechts bij de Heer der Werelden. [180]